Overzicht Actueel

Facebook niet aansprakelijk voor Tommy Hilfiger-nepadvertenties

In een zaak die al sinds 2018 loopt, heeft de Rechtbank Den Haag onlangs geoordeeld dat Facebook niet aansprakelijk is voor nepadvertenties die op hun platforms werden getoond. Wel heeft de rechtbank bepaald dat Facebook de identificatiegegevens van de adverteerders verantwoordelijk voor de nepadvertenties moet delen. Opvallend aan deze uitspraak is dat in een eerder vonnis in kortgeding nog werd bepaald dat Facebook wél aansprakelijk was voor de getoonde nepadvertenties. Het platform moest juist meer actie ondernemen om nepadvertenties te voorkomen. Maar met de recente uitspraak komt daar dus verandering in.

Wat was er aan de hand?
PVH, het moederbedrijf van het merk Tommy Hilfiger, trof op Facebook diverse advertenties van kleding en schoenen aan die niet van haar afkomstig waren. Het bleek te gaan om nepadvertenties van namaakproducten. In sommige gevallen werden deze zelfs vlak boven of in de buurt van advertenties geplaatst die wél van Tommy Hilfiger zelf afkomstig waren.

Wat oordeelde de rechtbank?
In de zogenoemde bodemzaak werd op een aantal zaken anders beslist door de rechtbank dan in het eerdere vonnis:

  • PVH stelde dat Facebook inbreuk maakte op haar auteurs- en merkrechten door het tonen van de nepadvertenties. Hier ging de rechtbank niet in mee, omdat de adverteerder degene is die ervoor zorgt dat het publiek de advertenties te zien krijgt. Facebook wordt hier gezien als een doorgeefluik. Zij zijn dus niet direct aansprakelijk voor de inbreuk op het auteurs- en merkenrecht van Tommy Hilfiger.
  • Ook indirect is Facebook niet aansprakelijk, en wel door de volgende 3 redenen:
    – Het platform had vooraf geen kennis van het feit dat het om malafide nepadvertenties ging.
    – Het hanteren van een controlebeleid op advertenties, betekent niet dat het platform kennis heeft van de inhoud.
    – Dat het platform aan micro-targeting doet, betekent niet dat zij invloed uitoefent op de inhoud van de advertenties of daarbij een actieve rol zou spelen.

Aan dit alles moet nog toegevoegd worden dat Facebook bij iedere melding van een inbreuk, telkens binnen 24 uur de advertentie offline had gehaald. Dit alles maakte dat niet aansprakelijk kon worden gehouden door PVH.

Identificatiegegevens

Ondanks dat Facebook niet (in)direct aansprakelijk was voor de inbreuken, bepaalde de rechtbank wel dat ze de gegevens van de nepadverteerders moest verstrekken. Facebook wilde dat niet, omdat zij vonden dat zij ook op andere manieren aan die gegevens zou kunnen komen, bijvoorbeeld via een aangifte. De rechtbank vond daarentegen dat dit argument niet opging.

Filterverplichting

Facebook is desondanks ook verplicht passende maatregelen te nemen om inbreuken op intellectuele eigendomsrechten zoveel mogelijk te voorkomen. Maar de rechter oordeelt dat zij niet voorafgaand alle afzonderlijke advertenties hoeven te checken. Dit zal namelijk zo kostbaar en arbeidsintensief worden, dat dit een aanzienlijke last wordt voor de ondernemingsvrijheid van Facebook. Dit kan namelijk niet worden geautomatiseerd. Ook staat niet vast dat het afzonderlijk checken van elke advertentie betere resultaten zou opleveren dan de reeds toegepaste methode. Het proactief filteren van advertenties die identiek zijn aan de eerder geïdentificeerde nepadvertenties/nepadverteerders is wel verplicht. Voor verwijdering van advertenties of adverteerders die hier enkel op lijken, zal eerst melding gemaakt moeten worden bij Facebook.

Gevolgen voor adverteerders

Het oordeel van de rechtbank leert ons dat wanneer je malafide advertenties van jouw merk getoond ziet, je hier zelf achteraan zal moeten om dit tegen te gaan. Het is Facebook daarbij wel verplicht om dit soort praktijken zo veel mogelijk te voorkomen, maar zij hoeven dit niet bij voorbaat te checken. Daarnaast weten we dat platforms in soortgelijke situaties verplicht zijn om identificatiegegevens te verstrekken, zodat jij als adverteerder tegen de inbreukmakers kan optreden.

Nieuwe richtlijn

Een interessante ontwikkelingen in dit soort gevallen is de komst van de nieuwe auteursrechtrichtlijn. Deze zal in werking treden per 7 juni 2021 en kan het oordeel van rechters in soortgelijke zaken in de toekomst veranderen. De richtlijn stelt platforms namelijk nadrukkelijk medeaansprakelijk wanneer inbreukmakende content openbaar wordt gemaakt op hun platform. Een beroep op de uitzondering voor tussenpersonen zal in dat geval niet meer opgaan, maar platforms kunnen wel vrijuit gaan indien zij aan bepaalde voorwaarden voldoen. Deze voorwaarden zullen waarschijnlijk alsnog het gebruik van filters in de hand werken, waardoor er sprake kan zijn van een verkapte filterverplichting. Het is nog afwachten wat de uitwerking van deze richtlijn gaat zijn. Wij volgen dit bij DDMA op de voet en houden je op de hoogte.